AGRO

Melk produceren is wat anders dan melk verkopen

Melk produceren is wat anders dan melk verkopen

Melk produceren is wat anders dan melk verkopen

De eerste maanden van dit jaar hebben de melkveehouders weer het nodige voor de kiezen gehad. Toekenning van de fosfaatrechten, onduidelijkheid over derogatie, de I & R affaire, discussie over grondgebondenheid en roep vanuit de maatschappij om nog duurzamer te produceren.

Hiernaast gooide RoyalFrieslandCampina de knuppel in het hoenderhok door een fabrieksquotum aan te kondigen. Op basis van de huidige plannen krijgt elke leverancier in 2019 een maximaal te leveren hoeveelheid melk toegekend. Wie meer levert wordt op dat overschot 10 cent gekort. RFC verwacht dat dit quotum jaarlijks met circa 1.5% kan groeien door verbeterde afzet. Veel minder dan toekomst gerichte melkveebedrijven groeien en ook minimaal nodig hebben om kostenstijgingen op te vangen.

Naast het fabrieksquotum kondigt RFC ook een topsegment zuivel aan. Leveranciers voor dit segment moeten aan extra eisen voor duurzaamheid voldoen. Hiertegenover staat een melkprijs die enkele centen boven de normale melkprijs ligt. Niet iedereen die aan de eisen denkt te kunnen voldoen kan / mag echter deze melk leveren. Een selecte groep melkveehouders wordt hiervoor aangewezen. Hoe de keus wordt gemaakt? Dat is nog onduidelijk. Mocht de afzet van melk in het topsegment heel goed lopen en de afzet harder groeien dan die van de gangbare melk dan mogen de geselecteerde leden deze groei in eerste instantie opvullen. Zij krijgen dan de mogelijkheid om harder te groeien dan de leveranciers die produceren voor de gangbare markt.

Naast A en B melk kiest RFC dus ook voor A en B leden.

Dat RFC met deze  aankondiging vele leveranciers tegen de haren in strijkt is geen verrassing.  Ze zijn teleurgesteld in hun coöperatie. Die dient toch alle aangevoerde melk voor een zelfde prijs af te nemen en mag geen onderscheid maken in A en B melk laat staan in A en B leveranciers.

De directie van RFC probeert de aanleiding voor deze keus zo goed mogelijk aan de leden te verduidelijken. Momenteel gaat een groot deel van de melk (20%) door de fabriek zonder waardevermeerdering. Om deze reden moet men de aanvoer wel beperken. Waarom er nog wel melk wordt aangekocht  / verwerkt van niet leden wordt in de discussie niet helemaal helder.

Breekt RFC op deze wijze echt met de coöperatieve gedachte? Rouveen, een kleine coöperatie, maakte al direct na het afschaffen van de melkquotering de keus om een fabrieksquotum in te stellen en niet onbeperkt melk te blijven aanvoeren.

Particuliere afnemers als A-ware kopen ook niet meer melk in dan zij verwachten goed te kunnen verwaarden. Momenteel hebben zij ruimte voor nieuwe leveranciers, omdat zij onder andere na het afsluiten van een contract met Albert Heijn, nieuwe afzetmogelijkheden zien.

Is dit dan een pleidooi voor alle ongelukkige leden bij RFC om naar A-ware of een andere afnemer te gaan? Nee. Nu RFC haar nek heeft uitgestoken en de discussie geopend wat betreft een betere afstemming van de melkaanvoer op winstgevende afzet zullen andere zuivelaars volgen. En vergelijking van de melkprijzen van de laatste jaren toont aan dat RFC het gemiddeld altijd nog een paar centen beter deed dan A-ware en ook in vergelijking met andere afnemers  het zeker niet slecht deed.

Maar op een gemiddeld melkveebedrijf komt een cent meer of minder per kilogram melk al snel neer op € 8.000 omzetverschil. Voldoende reden voor u als melkveehouder  om kritisch te kijken naar de afzetstrategie en toekomstplannen van  uw afnemer en een weloverwogen keus te maken.

 

Posted on
Posted in AGRO, Blog